Veelgestelde vleesetendeplantenvragen

Vleesetende planten: wie zijn ze, wat doen ze, wat drijft hen? Klik of tik op een vraag om het antwoord te aanschouwen.

Welke vleesetende planten zijn er allemaal?

Er bestaan zeer veel verschillende soorten vleesetende planten. De bekendste geslachten/soorten zijn:

  • Drosera capensisZonnedauw (Drosera spp.): de bladeren van deze planten hangen vol tentakels die een plakkerige vloeistof afscheiden. Voor ons voelt het slijmerig aan, maar voor veel insecten plakt het zodanig hard dat ze er niet uit kunnen ontsnappen. Als de zonnedauw merkt dat er een prooi in haar tentakels gevangen zit, laat ze alle tentakels in de buurt (traag) omplooien in de richting van het insect om ervoor te zorgen dat het zeker niet kan ontsnappen. Afhankelijk van de soort zonnedauw krult het blad zelf ook op, plooit het dubbel of rolt het zich zelfs volledig rond de prooi. In de plakkerige vloeistof zitten er enzymen om de prooi te kunnen verteren. Van zodra alle voedingsstoffen uit de prooi gehaald zijn en enkel nog het exoskelet ervan overblijft, keren de bladeren terug naar hun normale toestand.
    Zonnedauw komt verspreid over heel de wereld voor, maar de meeste in de winkel verkrijgbare soorten zijn oorspronkelijk afkomstig uit Zuid-Afrika of gewoon van onze veengebieden.
  • Dionaea muscipulaDe venusvliegenvanger (Dionaea muscipula): als wellicht de allerbekendste en bij velen het meest tot de verbeelding sprekende vleesetende plant heeft dit familielid van de zonnedauw bladeren die snel toeklappen als ze merken dat er een prooi op de bladeren is geland. Op de binnenkant van de bladeren staan er enkele haartjes, die als ze aangeraakt worden aan de plant laten weten dat er ‘iets’ op is beland. Omdat het zeer veel energie kost om de bladeren te doen toeklappen, wil de venusvliegenvanger natuurlijk eerst weten of het niet gewoon een regendruppel of een blaadje is. Daarom begint hij van zodra er een haartje aangeraakt is af te tellen. Als er binnen de 15 seconden nog een haartje wordt aangeraakt, weet hij nog niet 100% zeker dat het prijs is, maar neemt hij het zekere voor het onzekere en klapt het blad onmiddellijk toe. Om echt zeker te zijn dat het wel de moeite waard was, blijft hij tellen: als er haartjes blijven aangeraakt worden (omdat er een levend, bewegend beestje gevangen zit), zorgt hij ervoor dat het blad steeds dichter en dichter opeengeklemd wordt, om het uiteindelijk hermetisch af te sluiten, waarna de verteringssappen in de holte met het beestje kunnen gepompt worden en de maaltijd kan beginnen. Afhankelijk van de grootte van de prooi kan de vertering een aantal dagen tot ongeveer anderhalve week duren. Nadien gaat het blad weer open, en blijft er alleen nog maar het exoskelet van de prooi over, dat dan wegwaait met de wind of weggespoeld wordt door de regen. Elk blad kan maar een aantal keer een prooi verorberen, nadien sterft het af.
    De venusvliegenvanger is oorspronkelijk afkomstig uit Noord- en Zuid-Carolina in Noord-Amerika, waar het klimaat officieel subtropisch wordt genoemd, maar in de winter zakken de temperaturen er toch drastisch onder de 0 °C.
  • SarraceniaDe trompetbekerval (Sarracenia spp.): met hun grote, trechtervormige bladeren met een sterke kleuring rond de opening en extraflorale honingklieren lokken deze planten alle curieuze beestjes in de buurt, die eenmaal ze in de trechter gevallen zijn er niet meer kunnen uitklimmen door de glibberige randen. Aan de onderkant van de trechter zitten er verteringssappen die de in de val gelokte prooien meteen beginnen opeten. Hoewel u misschien zou denken dat insecten toch zo dom niet kunnen zijn dat ze vrijwillig in een (voor hen) spekgladde trechter zouden kruipen, kruipen ze zelfs in zodanig grote getale in de val dat de meeste Sarracenia’s na nog geen dag tot aan de rand gevuld zijn met vliegen, wespen, en dergelijke meer. Houd daarbij in gedachten dat sommige soorten bladeren van 120cm hoog (en soms zelfs nóg hoger) kunnen krijgen…
    Sarracenia’s zijn oorspronkelijk afkomstig uit het zuidoosten en oosten van de Verenigde Staten, met één soort, de paarse trompetbekerplant (Sarracenia purpurea), die tot in het noorden van Canada voorkomt. Hoewel het klimaat in het zuidoosten van Amerika subtropisch tot zelfs tropisch wordt genoemd, is het er in de winter toch ook redelijk fris, waardoor de planten een winterrust nodig hebben. Het is daarvoor niet essentieel noodzakelijk dat het vriest, maar tot zo’n -10 °C houden ook de subtropische soorten het wel uit.
  • NepenthesDe tropische bekerplant (Nepenthes spp.): deze klimplanten behoren tot de grotere soorten vleesetende planten. Een jonge Nepenthes blijft een tijdje op de grond groeien in een compacte groeivorm, maar op een gegeven moment krijgt hij genoeg van de aardse geneugten en begint hij aan een klim richting de sterren. Aan elk blad van een Nepenthes hangt er een bekervormige val met een deksel, waarvan de bodem net zoals bij de Sarracenia’s gevuld is met verteringssappen. Nepenthes steekt er echter wat meer moeite in, en probeert de beestjes ook te lokken door zoete, plakkerige stoffen uit te scheiden rondom de beker en aan de onderkant van het deksel. Als een beestje in de beker valt, kan het er niet meer uit. Sommige soorten Nepenthes hebben zodanig gigantische bekers dat er (in de natuur) soms eens een klein zoogdier in belandt (en verdrinkt), maar deze worden niet echt door de plant opgegeten. Andere soorten Nepenthes eten geen beestjes, maar de uitwerpselen van kleine zoogdieren die de zoete stoffen komen opeten en vervolgens voor het gemak de beker als hun gemak gebruiken.
    Een speciale eigenschap van Nepenthes is dat de bekers er anders uitzien afhankelijk van het stadium waarin de plant zich bevindt, en dikwijls ook afhankelijk van waar de plant juist groeit. De bekers in het grondstadium en die in het klimstadium verschillen soms zodanig drastisch in uiterlijk, waardoor er vroeger verschillende ‘nieuwe’ soorten Nepenthes werden ontdekt, die dan achteraf gewoon een reeds gekende plant bleken te zijn in een ander levensstadium.
    Nepenthes zijn oorspronkelijk afkomstig uit de tropen in Zuidoost-Azië en Madagaskar.
  • PinguiculaHet vetblad (Pinguicula spp.): deze planten hebben een gelijkaardig systeem ontwikkeld aan dat van de zonnedauw: hun bladeren hangen vol minuscule tentakels met een plakkerige vloeistof. In tegenstelling tot de zonnedauw is de vloeistof wel veel minder plakkerig en kunnen enkel de kleinste beestjes, zoals fruitvliegen, er niet uit ontsnappen. De tentakels bewegen ook niet, en de bladeren bewegen maar minimaal.
    Pinguicula komen voornamelijk voor in het noordelijk halfrond, in zowel koude, gematigde, woestijn- als tropische klimaten.

Er zijn echter nog zéér veel andere geslachten en soorten!

Zijn er nog meer vleesetende planten?

  • De cobralelie of cobrabekerplant (Darlingtonia californica): een familielid van de Sarracenia, met trechtervormige bladeren die een sterke gelijkenis vertonen met een sissende cobra. De bladeren kunnen bij volwassen exemplaren wel 1m hoog worden. In tegenstelling tot wat zeer dikwijls op het internet beweerd wordt, zijn Darlingtonia’s helemaal niet moeilijk in onderhoud, en hebben ze helemaal geen absurd complexe bewateringssystemen of zeer specifieke temperaturen nodig. Door de speciale ‘kop’ van het blad, waar overal doorzichtige stukken in zitten en die enkel een opening aan de onderkant heeft, zijn Darlingtonia’s nóg beter in het in de val lokken van nietsvermoedende beestjes, die door al het licht dat langs alle kanten binnenschijnt de weg naar buiten niet meer vinden.
    Darlingtonia zijn oorspronkelijk afkomstig uit - verrassing - Californië en Oregon in de Verenigde Staten. Aangezien het daar in de winter ook fris wordt benodigen de planten een koele winterrust. Ze groeien in een koel mediterraans klimaat en kunnen dus zonder problemen tegen vrieskou, ondanks wat men u op het internet en daarbuiten zou willen doen geloven.
  • De moerasbekerplant (Heliamphora) (soms verkeerdelijk zonnebekerplant genoemd): een ver familielid van Sarracenia en Darlingtonia, met zeer sierlijke, harde (dus ook gemakkelijk breekbare), trechtervormige bladeren. De meeste soorten hebben een roodkleurig uitsteeksel, waar nectar wordt uit afgescheiden om prooien mee te lokken. In tegenstelling tot haar familieleden heeft de Heliamphora in haar bekers geen verteringssappen zitten, maar gewoon water. Om de prooien te verteren tot voedingsstoffen is de plant afhankelijk van bacteriën die met de plant in symbiose leven. Er bestaan redelijk veel verschillende soorten Heliamphora en door hun afgelegen groeiplaatsen worden er ook nog steeds nieuwe ontdekt. De soorten en kruisingen die doorgaans in de handel verkrijgbaar zijn worden niet zo groot, meestal tussen de 10 en de 25cm. In de natuur en in de verzamelingen van liefhebbers bestaan er echter ook soorten met bekers van wel 70cm hoog.
    Heliamphora zijn oorspronkelijk afkomstig van de verschillende tepui’s, de tafelbergen in Zuid-Amerika. Het klimaat op deze unieke bergen is tropisch maar koel, met zeer veel licht, maar een Heliamphora maakt er geen probleem van als de temperaturen wat hoger worden zolang de grond maar vochtig blijft. Enkel de wortels mogen niet te veel opwarmen.
  • De Australische bekerplant (Cephalotus follicularis): de familie van deze zeer compacte plant met bekertjes van amper enkele centimeters groot bestaat uit welgeteld één lid, deze plant dus. Cephalotus follicularis is nauwer verwant aan een ordinaire appelaar dan aan andere vleesetende planten, en is geheel op eigen wijze een vleeseter geworden. In de natuur voedt een Cephalotus zich voornamelijk met mieren en andere kleine, kruipende beestjes, die nietsvermoedend in de bekers kruipen en er niet meer uit geraken. De bekers zijn gevuld met verteringssappen. Op droge, hete dagen kan een Cephalotus de deksels van de bekers sluiten om ervoor te zorgen dat de sappen zo min mogelijk verdampen. De planten groeien zowel in de natuur als binnenshuis bijzonder traag.
    Cephalotus is oorspronkelijk afkomstig uit - rara - Australië. De zomers zijn er redelijk warm, maar in de winter zakken de temperaturen toch tot dicht bij de 0. Een Cephalotus kan dan ook kortstondig lichte vorst verdragen.
  • De watervliegenvanger of waterradplant (Aldrovanda vesiculosa): dit familielid van de venusvliegenvanger is een echte waterrat - euh, waterrad. Aldrovanda vangt haar prooien op precies dezelfde manier als Dionaea, met bladeren die toeklappen als de gevoelige haartjes aan de binnenkant aangeraakt worden, met dat verschil dat alles onderwater gebeurt, en dat de vallen razendsnel kunnen toeklappen - op luttele milliseconden tijd zit de prooi gevangen. Aldrovanda ziet eruit als het resultaat van een kruising tussen Dionaea en waterpest (Elodea), maar zit niet vastgeworteld in de grond. ’s Winters, althans waar het koud wordt, vormt de plant knoppen of turionen. De plant is relatief klein en wordt maar zo’n 20cm lang.
    Aldrovanda komen van nature voor over een wijd gebied, van gematigde tot mediterraanse en subtropische klimaten, maar nooit in groten getale. Bij ons kunnen de planten probleemloos overleven, maar ze zijn hier niet inheems.
  • De regenboogplant (Byblis): zo genoemd omdat elk deel van een Byblis langs alle kanten rijkelijk volhangt met tentakels vol plakkerige vloeistof en de planten werkelijk schitteren in het zonlicht. Hoewel hun uiterlijk zou doen vermoeden dat ze familie zijn van Drosera, zitten ze in een andere familie en zijn ze er eigenlijk niet zo nauw aan verwant. De meeste soorten Byblis zijn éénjarig, met uitzondering van de grotere soorten Byblis gigantea en Byblis lamellata. Speciaal is dat de zaadjes van de meeste soorten Byblis eerst moeten blootgesteld worden aan brand (of correcter: aan de rook van brand) - omdat de planten vrij klein zijn, moeten ze in de natuur hun kans grijpen als alle competitie platgebrand is. Waar een verwoestende bosbrand al niet nuttig voor kan zijn. Vroeger dacht men dat Byblis, in tegenstelling tot Drosera, zelf geen verteringssappen produceert maar afhankelijk was van een symbiotisch insect of zelfs een symbiotische schimmel, maar nader wetenschappelijk onderzoek heeft dit van de hand gewezen en aangetoond dat de prooien wel degelijk door Byblis zelf worden verteerd, en het dus sterke, onafhankelijke planten zijn die geen symbiotische relatie benodigen.
    Alle soorten Byblis zijn oorspronkelijk afkomstig uit Nieuw-Guinea en Australië, uit tropische klimaten.
  • Blaasjeskruid (Utricularia): een ongelooflijk fascinerend plantengeslacht dat eigenlijk geen echte bladeren, stengels of zelfs wortels heeft, enkel de bloemen kunnen effectief als bloemen worden bestempeld. Er bestaan meer dan 200 verschillende soorten Utricularia, waarvan er zowel in de grond, in het water als op stenen en planten voorkomen, maar allemaal vangen ze hun prooien op dezelfde manier: aan hun wortelachtige delen hangen er blaasjesvormige vallen, die aan de hand van enkele gevoelige haartjes aan de plant laten weten of er een prooi passeert. De druk in de blaasjes is lager dan erbuiten, waardoor de arme beestjes onverbiddelijk in het blaasje worden gezogen, en niet meer naar buiten kunnen. Bij de meeste soorten zijn deze blaasjes zeer klein en kunnen er alleen maar piepkleine beestjes in gevangen geraken, maar bij sommige soorten worden de blaasjes meer dan 1cm groot, waardoor er ook grotere beestjes in belanden. De grotere aquatische soorten vangen zelfs met enige regelmaat vislarven en kleine dikkopjes: zelfs als ze alleen maar met hun staart vastzitten, geraken ze onmogelijk nog los, en worden ze langzaamaan opgegeten. Utricularia doet zo de naam ‘vleesetende plant’ écht eer aan. Nadat de prooi verteerd is, verlaagt de plant de druk in de val weer en is het tijd voor de volgende maaltijd. Naast de bijzonder gesofisticeerde vleesetende aspecten en het feit dat er geen echt onderscheid kan gemaakt worden tussen bladeren, wortels en stengels, zijn ook de bloemen de moeite waard: bij enkele soorten zijn ze zeer groot en doen ze aan die van orchideeën denken, bij de andere soorten zijn de bloemen klein maar fijn, met ronduit schattige vormen. Utricularia sandersonii heeft bijvoorbeeld witte bloemetjes met twee lange ‘oortjes’, die er als kleine konijntjes uitzien.
    Utricularia komen praktisch overal ter wereld voor, in alle mogelijke klimaten, slechts in enkele streken en (ei)landen groeien er geen of zijn er in alle geval nog geen ontdekt.
  • De kurkentrekkerplant (Genlisea): de naam verklapt het al, maar deze kleine familieleden van Utricularia (en trouwens ook van Pinguicula) vangen hun prooien door middel van ondergrondse holle bladeren die zoals een kurkentrekker opgedraaid zijn - doordat er geen bladgroen in deze bladeren zit, lijkt het alsof ze eigenlijk de wortels van de plant zijn, maar dat zijn ze dus niet. Beestjes kruipen binnen in de bladeren, maar kunnen hun weg naar buiten niet meer vinden, en de binnenkant van de bladeren zit vol haartjes die de prooi extra verhinderen van nog buiten te geraken. Om de prooien te kunnen opeten produceren Genlisea’s in hun ondergrondse bladeren enzymen. Genlisea’s hebben geen wortels, in plaats daarvan nemen de ondergrondse bladeren water op. Met een paar uitzonderingen is het voor een leek zeer moeilijk om de verschillen tussen Genlisea-soorten te herkennen, waarvan er in totaal een dertigtal (ontdekt) zijn.
    Genlisea zijn oorspronkelijk afkomstig uit de vochtige, tropische en subtropische streken in Centraal- en Zuid-Amerika, Afrika en Madagaskar.
  • Portugese zonnedauw (Drosophyllum lusitanicum): hoewel deze plant uiterlijk goed op een soort zonnedauw gelijkt, en vroeger ook tot dezelfde familie werd gerekend, heeft men na onderzoek bepaald dat de plant toch in een eigen familie thuishoort. De bladeren van de plant hangen vol tentakels met plakkerige vloeistof, die interessant genoeg een krachtig, lekker aroma van honing verspreiden. Drosophyllum is er dus in geslaagd om niet alleen insecten, maar ook mensen te lokken! De vloeistof is niet zo plakkerig dat beestjes direct blijven plakken, maar wordt van de tentakels gelost, waardoor een beestje dat een beetje rondkruipt al snel onder het plaksel bedolven geraakt en verstikt, en dan is het natuurlijk etenstijd voor de plant. In tegenstelling tot de meeste andere vleesetende planten groeien deze planten in de natuur in droge grond.
    Drosophyllum zijn oorspronkelijk afkomstig uit Portugal en de streek rond Gibraltar, waar het klimaat droog en mediterraans is.
  • Triphyophyllum peltatum: met drie compleet verschillende levensfasen is dit een unicum onder de vleesetende planten. Meer nog, eigenlijk is de plant maar gedurende één van de drie levensfasen insectivoor. Als jonge plant is een Triphyophyllum compact met doodgewone langwerpige bladeren (tot zelfs 80cm lang). Als de plant iets ouder is, zijn de nieuwe bladeren lange slierten vol tentakels, die goed gelijken op die van Drosophyllum lusitanicum. Zoals u al kunt verwachten is dit de fase waarin de plant beestjes opeet. Na verloop van tijd ontgroeit de plant ook die fase en gaat ze haar volwassen stadium in, waarin ze een liaan wordt met korte bladeren die aan het uiteinde voorzien zijn van weerhaken. Ook de bloemen en zaden van deze plant zijn zeer interessant, maar we zouden kunnen blijven uitwijden. Triphyophyllum wordt maar in enkele plantentuinen gekweekt en wordt eigenlijk nergens verkocht.
    Triphyophyllum komen oorspronkelijk voor in het tropisch savanneklimaat van Guinee, Ivoorkust, Liberië en Sierra Leone.
  • Roridula dentata en Roridula gorgonias: deze twee struikvormige soorten, die tevens de enige soorten in hun familie zijn, produceren net als Drosera, Byblis, Drosophyllum en Triphyophyllum plakkerige vloeistof aan de tentakels waarmee hun bladeren overladen zijn. Er zijn echter twee belangrijke verschillen: de plakstof van Roridula plakt ongelooflijk hard, ook voor mensen, en heeft wat dat betreft meer weg van boomhars. Het andere belangrijke verschil is dat de plant zelf geen verteringssappen produceert, in tegenstelling tot Drosera, Drosophyllum en Triphyophyllum. Een minder belangrijk verschil is dat - in tegenstelling tot Drosera en co. - de plakkerige tentakels van Roridula niet kunnen bewegen richting de prooi. Daarentegen staan er tentakels van drie verschillende lengtes op de bladeren, die er in combinatie voor zorgen dat alles en iedereen aan de bladeren vasthangt. Omdat de planten hun prooi zelf niet kunnen verteren, zijn ze afhankelijk van een specifiek soort insect dat met de planten in symbiose leeft (en zelf geen last heeft van al het plaksel). Die symbiotische insecten eten zelf eerst de prooien op, en de Roridula’s smullen dan een beetje nadien van hun ????. Delicieus!
    Roridula zijn oorspronkelijk afkomstig van Kaap de Goede Hoop in Zuid-Afrika.
  • Brocchinia reducta en Brocchinia hechtioides: deze twee vleesetende Bromelia’s hebben, net als veel andere Bromelia’s, een brede kelk waarin regenwater en dauw wordt opgevangen. Hun bladeren zijn bedekt met een gladde laag was. Het water in de kelk heeft doorgaans een zoete geur om beestjes te lokken, die dan uitglijden op de spekgladde bladeren en in het water vallen. Eenmaal in het water gevallen kunnen ze er niet meer uit, en worden ze door de verteringssappen verteerd. De planten groeien gewoon in de grond. Bij de vleesetende Brocchinia’s werd vroeger ook Brocchinia tatei bijgerekend, maar van die soort is na onderzoek aangetoond dat ze geen vleeseter is.
    Brocchinia zijn oorspronkelijk afkomstig uit Colombië, Venezuela, Guyana en Noord-Brazilië.
  • Philcoxia: alle planten in dit zeer zeldzaam geslacht zijn sinds enkele jaren gediplomeerde vleeseters. Zoals bij de verder onverwante Utricularia en Genlisea bevinden deze planten zich voornamelijk ondergronds (enkel de bloemstengel komt echt boven de grond uit), en vangen ze met hun kleine, plakkerige, ondergrondse bladeren rondwormen ofte nematoden (waaronder aaltjes). In tegenstelling tot Utricularia en Genlisea hebben ze wel (weliswaar beperkt) échte wortels.
    Alle soorten Philcoxia komen oorspronkelijk uit Brazilië.

Méér! Ik wil er nóg méér!

Er bestaan ook nog heel wat soorten waarvan nog niet met zekerheid is geweten of ze wel effectief vleesetend zijn, of die (nog) niet zo ver geëvolueerd zijn en beschouwd worden als proto-vleesetende ofte protocarnivore planten. Een moeilijkheid hierbij is dat het begrip ‘vleesetend’ niet helemaal kristalhelder gedefinieerd en afgebakend is. Tot deze soorten behoren:

  • Stylidium: één van de favoriete plantengeslachten van de schrijver van dit artikel, maar recent onderzoek lijkt er (helaas!) op te wijzen dat er eigenlijk geen enkele plant in het geslacht Stylidium vleesetend of zelfs maar proto-vleesetend is (hoewel het er hier ook in niet geringe mate mee te maken heeft dat het begrip ‘vleesetend’ nooit eenduidig gedefinieerd geweest is). Desalniettemin zijn het fascinerende planten, met name omwille van hun bloemen. In het Engels noemt men het geslacht Stylidium triggerplants - ‘trekkerplanten’ - waarmee verwezen wordt naar een speciaal mechanisme in de bloemen. Wanneer een beestje op een Stylidium-bloem landt, klapt het zgn. zuiltje of gynostemium van de bloem, waar de pollen aan vasthangen, razendsnel op het beestje neer, waardoor het beestje vol pollen hangt en de volgende Stylidium-bloem daarmee kan bestuiven. Die volgende bloem geeft natuurlijk ook een harde klap. De arme beestjes worden dan wel niet opgegeten, maar een mens zou er toch medelijden mee krijgen…
  • Catopsis berteroniana: net als Brocchinia reducta en B. hechtioides is dit een mogelijks vleesetende Bromelia, die dan volgens hetzelfde principe als Brocchinia de prooien zou vangen en opeten. Hoewel er zeker veel beestjes in de kelk van Catopsis verdrinken, is er echter nog geen sluitend bewijs dat de plant effectief vleesetend is, dus verzamelaars van exclusieve vleesetende planten zitten al een tijdje op het puntje van hun stoel om te weten of ze geen grandioze miskoop hebben begaan.
  • Thalia dealbata: van deze plant is men vrij zeker dat ze geen vlees eet, maar wat er desondanks wel bijzonder aan is, is dat de stijl van de bloem over een zekere explosiviteit beschikt om de pollen te verspreiden, gelijkaardig aan hetgeen bij Stylidium het geval is, maar doordat de bloemen veel groter en steviger zijn dan die van Stylidium worden de insecten die de bloemen komen bestuiven onverbiddelijk vastgeklemd en sterven ze uiteindelijk van uithongering/uitdroging. Enkel grotere insecten zijn sterk genoeg om aan de val te ontsnappen. Thalia dealbata eet de gevangen insecten echter niet op, het is dus maar een ordinaire moordenaar.
  • Paepalanthus bromelioides
  • Ibicella lutea, Proboscidea louisianica en Proboscidea parviflora
  • Het herderstasje (Capsella bursa-pastoris)
  • Geranium viscossisimum
  • Passievrucht (Passiflora)
  • Plumbago
  • Colura
  • Drymocallis
  • Aracamunia liesneri
  • Kaardebol (Dipsacus)

Misschien voor de volledigheid: er bestaan ook (met zekerheid) enkele vleesetende schimmels (paddenstoelen, zwammen, …), maar die behoren natuurlijk niet tot het rijk der planten.

Wat eten vleesetende planten? Hebben ze meststof nodig?

Hoewel ze ‘vleesetende’ planten worden genoemd, eten ze eigenlijk helemaal geen vlees, maar geleedpotigen (insecten, spinnen, …) en protisten (met als uitzondering op de regel de grote aquatische soorten Utricularia, die ook gretig bv. vislarven en dikkopjes binnenspelen; Roridula, die ook grotere, warmbloedige dieren kan vangen en daar uiteindelijk voordeel van geniet; en Philcoxia, die gespecialiseerd zijn in het oppeuzelen van minuscule wormen). Geef dus zeker nooit een stuk hamburger of een kipfilet aan een vleesetende plant, ze kunnen het niet opeten en als het vlees begint te rotten is de plant ook in gevaar.

Vleesetende planten halen hun voedingsstoffen voornamelijk uit hun prooien. Hun wortels zijn aangepast aan de voedingsarme grond waar ze in de natuur in groeien, dus meststoffen in de grond geeft u best niet of minstens sterk verdund.

Kan ik vleesetende planten inzetten om insecten te bestrijden?

De meeste vleesetende planten zullen u niet verlossen van ambetante rulders of van een wespenplaag. Vleesetende planten binnenshuis verleiden af en toe eens een beestje, maar u moet er niet van verwachten dat ze alle muggen zullen opeten. Vleesetende planten buitenshuis lokken ontzettend veel beestjes in de val, maar dit houdt ook in dat ze de beestjes van bij de buren lokken, en de beestjes van hun buren, enzovoort.

Er is één belangrijke uitzondering die u als natuurlijk bestrijdingsmiddel kunt inzetten: een Pinguicula kan binnenshuis op korte tijd volledige generaties fruitvliegen en varenrouwmuggen uitroeien. Zet de plant bij uw fruitmand of bij een pot waar de varenrouwmuggen feestvieren, en de bladeren zullen al snel volledig zwart zien van de beestjes.

Zijn vleesetende planten tropische planten?

Nee! Vleesetende planten komen voor over heel de wereld - zie de beschrijvingen hierboven of de informatiefiches voor een iets preciezere locatieaanduiding. Sommige groeien in de tropen, maar andere in de woestijn, nog andere in de toendra en sommige soorten komen zelfs gewoon bij ons voor! Jawel! Bij ons groeien er:

  • Een paar soorten Drosera in veengebieden, met name D. rotundifolia, de ronde zonnedauw, en D. intermedia, de kleine zonnedauw. D. anglica, de lange zonnedauw, is hier officieel uitgestorven, maar aangezien de plant bij redelijk veel liefhebbers buiten in de moerasbak staat en weelderig zaadjes produceert zou het de schrijver van dit artikel niet verbazen dat er hier en daar toch enkele nieuw-wilde plantenpopulaties ontstaan maar nog niet ontdekt zijn;
  • Een soort Pinguicula in veengebieden, met name P. vulgaris, gewoon vetblad;
  • Een paar soorten Utricularia in sloten, kanalen, plassen en moerassen, met name U. minor, klein blaasjeskruid, U. vulgaris, groot blaasjeskruid, U. intermedia, plat blaasjeskruid, U. australis, loos blaasjeskruid en U. ochroleuca, bleekgeel blaasjeskruid.

Welke vleesetende plant is er geschikt voor mij?

De belangrijkste vraag is natuurlijk of u een plant voor binnen of voor buiten zoekt.

  • Qua binnenplanten kunt u kiezen uit:
    • verschillende soorten Drosera;
    • alle soorten Nepenthes;
    • verschillende soorten Pinguicula;
    • alle soorten Heliamphora;
    • Cephalotus;
    • Byblis;
    • Genlisea;
    • verschillende soorten Utricularia;
    • Drosophyllum;
    • Roridula;
    • Brocchinia;
    • Stylidium;
    • Catopsis.
  • Qua buitenplanten kiest u uit:
    • de andere soorten Drosera;
    • alle Sarracenia’s;
    • Darlingtonia;
    • sommige soorten Pinguicula;
    • sommige soorten Utricularia;
    • Aldrovanda.

Daarnaast moet u zich afvragen waarvoor u een vleesetende plant wilt. Als u er insecten in uw huis mee wilt bestrijden, kies dan voor een Pinguicula, deze kan en zal alle fruitvliegjes en varenrouwmuggen in recordtempo verorberen. Ondanks wat de labels u willen doen geloven, kan feitelijk geen enkele andere vleesetende plant u van een insectenplaag verlossing bieden. Kies dus gewoon voor de plant die u het meest aanspreekt, maar kijk eventueel eerst ook eens naar de informatiefiches hieronder om er zeker van te zijn dat de plant wel gelukkig zal zijn op de plaats waar u ze in huis wilt zetten.

Hoe moet ik mijn vleesetende plant verzorgen?

Bekijk hiervoor gewoon de informatiefiche voor uw plant. Als u verdere vragen hebt die hier of op de informatiefiche niet behandeld worden, contacteer ons dan gerust.

Beste gebruikers, deze site bewaart cookies op uw computer. Het doel is om uw ervaring op onze website te verbeteren en u tegelijkertijd meer gepersonaliseerde diensten aan te bieden.

Als u meer informatie wilt over de cookies die wij gebruiken, raadpleeg dan ons Privacybeleid. Door cookies te accepteren, stemt u in met het gebruik ervan. U kunt de instellingen van de cookies ook aanpassen. Als u weigert, worden uw gegevens niet bijgehouden wanneer u deze site bezoekt. Er wordt slechts één cookie gebruikt in uw browser om uw voorkeur dat u niet gevolgd wilt worden te onthouden.
Alles weigeren
Instellingen aanpassen
Sta alles toe